Facebook
Comité 4 en 5 mei
035-602 10 08

Van de GriftWebdesign SoestCatering Centraal

Oorlogsverhaal mevr. E. den Uijl - De Lange

Oorlogsverhaal mevr. E. den Uijl - De Lange

Normaliter plaatsen we de oorlogsverhalen in het programmaboekje voor de 4 mei herdenking. Dit jaar vanwege alle omstandiheden geen programmaboekje. Voor dit jaar is het verhaal op onze site geplaatst. Het interview is opgenomen door Cecile Oranje. 

Mevrouw Everdina den Uijl-de Lange (1929)

Mijn ouders hebben tijdens de oorlog acht Joodse mensen in ons ouderlijk huis laten onderduiken. Ik neem aan dat de ondergrondse om een schuilplaats voor deze Joodse mensen gevraagd heeft. Ik weet het niet zeker, ik was nog jong. Toen de eerste onderduikers kwamen was ik dertien. Ik werd in januari veertien. In september 1942 arriveerde het echtpaar Lipinski, zij een klein rond vrouwtje, hij ietsjes groter met een donkere krullenbol. Toen ze een tijdje bij ons waren, werd aan ons gevraagd of de zus van de heer Lipinski ook bij ons mocht komen met haar man, het echtpaar Friede. Of het hun echte namen waren, weet ik niet. Het kunnen ook schuilnamen geweest zijn. Voor hun dochter Esther (ze noemden haar Etta) en haar schoonmoeder, mevrouw Weisz (van wie ik de echte naam wist en onthouden heb omdat hij zo bijzonder was: mevrouw Beugeltas-Viool)* werd eveneens onderdak gezocht. De laatste twee, mevrouw Rosenstein en haar zoon Jacky, zaten ondergedoken bij mijn broer op de Van Straelenlaan. Omdat mijn broer daar inwoonde en de hoofdbewoner niet wilde dat er onderduikers in zijn huis zaten, moesten ze weg. Ook zij kwamen bij ons. We woonden toen met in totaal twaalf mensen in ons huis op de Heuvelweg 3 in Soest: mijn vader en moeder, mijn broertje van 10 en de acht Joodse onderduikers. Jacky was ongeveer zo oud als ik, 13 of 14 jaar, en Etta was een jaar of 19. We hadden genoeg ruimte, want het huis was groot en we kregen er nog extra ruimte bij omdat twee zussen en een broer van mij trouwden en het huis uitgingen. Eind 1940 is mijn eerste zus getrouwd, in 1941 nog een zus en ook mijn broer.

In 1939 ben ik erg ziek geweest. Ik was twee maanden thuis van school omdat er in die tijd nog geen antibiotica waren. Benjamin Blankenstein, mijn onderwijzer van de lagere school, was opgeroepen tijdens de mobilisatie en keerde later weer terug op school omdat ze leerkrachten nodig hadden. Op een dag werd hij zomaar uit de klas gehaald. Hij had Joodse mensen in zijn huis laten onderduiken en was verraden. Verschrikkelijk, het was zo’n fijne man. Gerrit Frederiks, die hem verving toen hij opgeroepen was, is ook in de oorlog omgekomen. Dus allebei mijn onderwijzers zijn omgekomen in de oorlog. Ik ben in 1941 van de lagere school afgekomen en naar de ulo gegaan. Toen de spoorwegstaking in 1944 begon, werden de scholen gesloten. Er was geen brandstof meer en iedereen had honger.

De Duitsers vielen in 1940 Nederland binnen. Vader, die schilder was, is ’s morgens nog naar zijn werk vertrokken. Hij schilderde ‘De Witte Bergen’ in Laren en is met zijn broer, die ook schilder was, daarnaartoe gefietst. ’s Morgens om 10.00 uur kregen we bericht dat we ons allemaal ’s avonds op de Noorderweg moesten verzamelen. Van daaruit zijn we om 22.00 uur in het donker - alles was natuurlijk verduisterd - naar station Baarn gelopen om te worden geëvacueerd. Via de Stadhouderslaan liepen we naar Baarn en stapten op de trein. ’s Morgens om 06.00 uur kwamen we in Enkhuizen aan. Eerst werden we bijeengebracht in een kerk. Vóór ons hadden er waarschijnlijk bewoners van Bunschoten of Spakenburg gezeten want het lag vol met vellen van paling. Van daaruit werden we over verschillende adressen verdeeld.  Mijn ouders, mijn broertje en ik werden ondergebracht bij twee oude mensen in de Lange Tuinstraat in Enkhuizen. Mijn drie zussen en hun vriendin zaten ook in de Lange Tuinstraat bij een zoon of een dochter van die oude mensen. Mijn broer Jan moest thuisblijven want hij was bij de Luchtbescherming en mocht niet mee. Dat was maar goed ook want we hadden thuis nog een hond en zo kon hij voor hem zorgen. Niemand wist hoelang we weg zouden blijven. Men had ons daarom aangeraden zo veel mogelijk kleren over elkaar aan te trekken. Achteraf duurde de evacuatie maar een dag of vijf maar dat wisten we natuurlijk niet van tevoren. We zijn op zaterdag met bussen teruggebracht. Toen we door Amsterdam reden zagen we de eerste Duitsers. Ik was pas elf jaar, maar dat vergeet je niet meer. In het begin waren de Duitsers nog heel schappelijk en deden ze zich heel aardig voor. Ze waren ook gedisciplineerd maar ja, hoewel er ook aardige Duitsers waren en ze zeker niet allemaal slecht waren, weten we waar het allemaal toe geleid heeft.

Onze onderduikers bleven de hele dag binnen. Het risico was te groot als ze naar buiten zouden gaan. De buren zouden ze kunnen zien en zich eventueel afvragen waar die mensen vandaan kwamen want ‘bij die familie zijn de kinderen toch de deur uit?’ Alleen Etta kwam wel eens buiten als het donker was, met mijn moeder of met een van mijn zusjes. Ons huis had een voorkamer, dan een tussenkamertje, vervolgens een achterkamer en daarachter hadden we een grote keuken. Het echtpaar gebruikte de voorkamer als woongedeelte en wij de achterkamer. Het tussenkamertje werd als slaapkamer gebruikt door het eerste echtpaar. Boven hadden we drie slaapkamers en een grote overloop. Het tweede echtpaar en het jonge meisje met haar schoonmoeder sliepen boven. De twee onderduikers die bij mijn broer hadden ingewoond, sliepen later op de grote overloop, net zoals kinderen in ons gezin dat gedaan hadden. Een bergruimte, waar we de Joodse mensen konden verstoppen, bevond zich in de slaapkamer van mijn ouders. Die kamer was heel groot, mijn broertje en ik sliepen daar ook, in een tweepersoonsbed dat dwars tegen het bed van mijn ouders was geplaatst. In die kamer was een kast die met behang en linnen afgeschoten was. In dat achterste stuk, onder het schuine dak, was de verstopplek voor de onderduikers.

De brandstofvoorziening was toen gelukkig nog niet zo nijpend dat we problemen kregen  want we moesten natuurlijk wel meer kamers verwarmen. De ondergrondse zorgde voor extra bonkaarten. Gelukkig hebben wij geen honger hoeven lijden. Mijn moeder kon van heel weinig iets lekkers maken. De Joodse mensen hielden ook van koken dus vaak kookten zij of hielpen mee. Ik weet nog dat zij gebakken uien bij de zuurkool deden, iets wat tegenwoordig ook veel mensen doen. We hadden meer brood nodig en daarom hadden we voor de veiligheid twee bakkers. Je wordt wel vindingrijk!

Op 7 mei 1943 zijn de acht Joodse mensen uit ons ouderlijk huis weggehaald. Op de dag dat ze opgepakt werden, was ik de eerste die het wist. Ik hoorde de laarzen, het geluid van stampende laarzen. Toen ze ’s nachts om 04.00 uur aanbelden, ging mijn vader naar beneden om de deur open te doen, heel langzaam om zo veel mogelijk tijd te rekken. Mijn moeder en ik verstopten de mensen in de berging en begonnen razendsnel de bedden af te halen. Toch ontdekten ze meteen dat de bedden nog warm waren en beslapen waren geweest. Desondanks hebben ze nog drie uur moeten zoeken voor ze de onderduikers ontdekten, maar ze hebben ze gevonden. Om 11.00 uur kwam er een jongen bij ons aan de deur om ons voor de razzia te waarschuwen maar hij was net vier uur te laat. De arme jongen bleek de verloofde te zijn van het meisje dat bij ons verstopt had gezeten en was dus in één klap zijn bruid en zijn moeder  kwijt. Wat er met ze gebeurd is, weten we niet. Ze zijn van september ’42 tot mei ’43 bij ons geweest en we hebben ze nooit meer teruggezien.

Mijn moeder had mijn broertje en mij duidelijke instructies gegeven: we moesten zwijgen over de onderduikers en als er iets gebeurde, moesten we onmiddellijk  naar mijn broer op de Van Straelenlaan gaan. Toen we op die ochtend van de zevende mei de deur uitstapten, kregen we meteen een revolver op onze borst gericht. Het huis is waarschijnlijk omsingeld geweest. We hadden namelijk een groot huis met veel mogelijkheden om te ontsnappen: aan de voorkant van het huis hadden we twee ramen, opzij in de voorkamer zat een raam, er zat er ook een in het tussenkamertje en aan de achterkant  hadden we openslaande deuren én een keukendeur én een zijdeur. Mijn broertje en ik zijn terug in het huis gegaan. Achteraf maar goed ook, heb ik wel eens gedacht, want als ze ons gevolgd waren naar de Van Straelenlaan hadden ze mijn broer misschien ook opgepakt. Het gekke is dat ik helemaal niet bang was toen die revolver op me gericht werd. Ik herinner me nog goed dat ik aan de Duitser vroeg - er was één Duitser bij, in een groen uniform, de rest droeg allemaal die zwarte WA-pakken - wat ze met mijn vader gingen doen. “Wahrscheinlich Konzentrationslager”, was het antwoord en daar is het ook op uitgedraaid.

Die inval kwam volkomen onverwacht, niemand wist ergens van. Ze waren eerst overal in de buurt vragen gaan stellen. Het was triest want we kwamen er later achter dat onze onderduikers  vanuit Amsterdam door hun eigen schuld verraden waren. Mijn moeder had altijd gezegd dat ze maar één contactpersoon moesten hebben maar toen ze zich na verloop van tijd wat veiliger gingen voelen, knoopten ze met meer mensen contacten aan. Hoe dat gebeurd is, weet ik niet. Misschien heeft de contactvrouw hun adres aan anderen mogen doorgeven. Ik moet het antwoord schuldig blijven. Ook de rol van een man, die met gebakken visjes en zelfgebakken koekjes aan de deur kwam, is me nooit duidelijk geworden. Vast staat wel dat die man - een echte jodenjager - ondergedoken Joodse mensen op wel 40 adressen ontdekt en aangegeven heeft, ook die van ons. Er werd goed verdiend aan het verraden van een Jood: 7,50 gulden!  We hebben nooit zijn naam geweten. Bij navraag na de oorlog hebben we gehoord dat hij nog tijdens de oorlog geliquideerd is, waarschijnlijk door de ondergrondse.

Op 7 mei hebben ze ook mijn vader meegenomen. Ze hebben hem geslagen en geschopt en mijn moeder hebben ze zo hard aan haar haren meegesleurd dat ze bloeduitstortingen op haar voorhoofd had.  Buren hebben ons later verteld dat onze Joodse mensen letterlijk de vrachtwagen in geschopt zijn. Mij hebben ze niets gedaan. Mijn vader hebben ze naar de gevangenis aan de Weteringschans in Amsterdam gebracht. Wanneer hij precies naar Kamp Vught is gebracht, weet ik niet meer maar ik weet wel dat hij op 4 juli 1944 weer thuis is gekomen. Toen hij in Kamp Vught zat, mochten we pakjes sturen. Ik weet nog dat mijn moeder pudding maakte en die in een lege beker van appelstroop stopte om het op die manier op te sturen. Toen mijn vader vanuit Vught thuiskwam, had hij een mes bij zich dat iemand in een gebakken brood gestopt had. 2192 was het nummer van mijn vader. Hij heeft geluk gehad want hij kwam in het commando van Philips terecht en die mensen kregen extra eten. Mijn vader vertelde graag, maar over zijn tijd in Kamp Vught heeft hij nooit iets losgelaten. Nachtmerries had hij wel hoorde ik later van mijn moeder. Ondanks alle ontberingen is hij wel 93 geworden. Mijn moeder hebben ze tijdens die inval niet meegenomen, waarschijnlijk omdat er nog twee jonge kinderen waren. Zoals ik al vertelde, was ik veertien en mijn broertje tien. De Duitser en die WA-mannen hebben het hele huis op zijn kop gezet, eieren rauw opgeslurpt in de kelder, rotzooi gemaakt… waarschijnlijk omdat ze nijdig waren dat het zo lang duurde. Ze waren tenslotte om 04.00 uur gekomen en pas om 07.00 uur hadden ze de Joodse mensen gevonden.

Mijn ouders hebben uit christelijke overwegingen onderduikers in huis genomen. Aan mijn broertje en mij werd niets gevraagd natuurlijk, maar met de oudere kinderen hebben ze wel overleg gehad waarschijnlijk. Die hebben mijn moeder na 7 mei ook aangeraden naar mijn zus in Limburg te gaan want ‘stel je voor dat ze zich bedenken en terugkomen.’ Moeder is toen met Wim en mij vier weken in Limburg bij mijn zus geweest. In de zomer van ’44 zijn we ook nog een tijdje bij mijn zus geweest. Op 24 augustus gingen wij weg uit Limburg en op 18 september is het zuiden bevrijd. Sindsdien hebben we ons zorgen gemaakt om elkaar. Vanaf september 1944 tot de bevrijding wisten we niets van elkaar: mijn zus in Limburg wist niet hoe het met ons ging. Omgekeerd had ik in angst gezeten over de mensen in het noorden als ik bij mijn zus in het bevrijde zuiden gebleven was.

De andere landen hebben ook zeker een aandeel in alle ellende gehad, want kijk maar eens hoe ze Duitsland na de Eerste Wereldoorlog behandeld hebben. Netjes was dat niet, maar dat hebben ze na de Tweede Wereldoorlog beter gedaan door Duitsland te helpen het land weer op te bouwen. Je moet de zaken wel reëel bekijken. We hebben in tegenstelling tot andere mensen niet veel meegemaakt van het strijdtoneel van de oorlog - gelukkig - maar wel de hongerwinter doorgemaakt. Het is heftig geweest. Bang voor mezelf was ik nooit, wel voor hetgeen er met mijn ouders en mijn broers en zussen zou kunnen gebeuren.

* In Westerbork ligt een boek met alle namen van de mensen die in de oorlog zijn weggevoerd. Een zoon en schoondochter van mevrouw Den Uijl waren onlangs in Westerbork en lazen dat mevrouw Esther Beugeltas-Viool op 21 mei 1943 in Sobibor is overleden is. Ze moet haast wel een van de onderduikers van de familie De Lange zijn geweest. Twee weken nadat ze werd opgepakt, is ze in Sobibor overleden, waarschijnlijk vergast.