Facebook
Comité 4 en 5 mei
035-602 10 08

Soester CourantWebdesign SoestVan de Grift

Oorlogsverhaal van mevr. L.W. Bos - Brons

Oorlogsverhaal van mevr. L.W. Bos - Brons

Normaliter plaatsen we de oorlogsverhalen in het programmaboekje voor de 4 mei herdenking. Dit jaar vanwege alle omstandiheden geen programmaboekje. Voor dit jaar is het verhaal op onze site geplaatst. Het interview is opgenomen door Cecile Oranje. 

Lena (1926)

Wij lagen op bed, toen mijn vader ons kwam roepen: ‘Kom naar beneden! Er is oorlog! Er is oorlog!’ We gingen naar buiten om te kijken wat er gebeurde. De hemel boven Soesterberg hing vol parachutisten. Ik vond het spannend - ik had er geen idee van wat een oorlog betekende. Ik was 13 jaar.

Mijn ouders hadden zes kinderen: drie meisjes en drie jongens. Mijn broers waren ouder en het huis al uit, toen de oorlog begon. Eén broer woonde in Soest. De Duitsers hoorden dat hij schoenmaker was en hij mocht hier blijven, op voorwaarde dat hij de schoenen van de Duitsers zou repareren. Dat deed hij heel goed en hij kreeg vaak chocola van de Duitsers, want die hadden ze genoeg. Ik weet nog dat er eens een neefje kwam dat ook zo’n groot stuk chocola had gekregen en dat ik toen zijn gezicht heb afgelikt. Dat was geweldig! Zulke dingen hadden wij thuis natuurlijk niet.

Een andere broer had een bakkerij in Amsterdam en zat bij de ondergrondse. We kregen eten van hem, want met zijn bakkerij had hij altijd wel iets voor ons en omdat hij veel onderduikers had, kreeg hij ook extra meel. Hoe dat ging, weet ik niet, maar dat zal wel via de ondergrondse zijn gegaan. Hij kwam dan op de fiets naar ons toe en bracht eten mee.
Hoe hij het klaargespeeld heeft om de tewerkstelling in Duitsland te ontlopen, weet ik niet. Ach, wij zaten in Soest en hij in Amsterdam. Dat hoorden we niet.

Mijn derde broer woonde in Friesland en werkte ook in een bakkerij, als bakkersknecht. Hij had bericht gekregen dat hij naar Duitsland moest en dat mannen die daar tewerkgesteld werden, extra dagen naar huis mochten als ze getrouwd waren. Hij ging van Heerenveen naar Leeuwarden met zijn verloofde om te trouwen. Alles in armoede natuurlijk, lopend naar het gemeentehuis en geen groot feest met de familie. Terwijl hij nog in Leeuwarden was, stonden de Duitsers in Heerenveen bij hem aan de deur om hem op te halen. Hij is bij zijn vrouw in Leeuwarden gebleven en heeft nooit meer wat van ze gehoord.

Ik kwam in 1940 van de lagere school af en moest meteen gaan werken, want mijn vader was werkloos en wat ik verdiende, gaf ik aan mijn moeder. Ik ben nooit meer naar school gegaan. Ik heb zo hard gewerkt en op zo veel verschillende plekken dat ik daarover alleen al een boek kan schrijven. Van de Duitsers heb ik weinig gemerkt, ik had geen contact met ze, maar ik vond het verschrikkelijk dat we ’s avonds niet meer naar buiten mochten, dat we moesten verduisteren en dat de jongens allemaal weg moesten.

Ik had een donkerblauwe jas met een speldje erop: drie hartjes, rood, wit en blauw en een oranje leeuwtje eronder. Ik durfde vroeger heel veel, later ben ik een angsthaas geworden. Ik fietste eens naar Amsterdam en kwam een Duitse soldaat tegen. ‘Oranje boven!’ riep hij. Ik schrok me kapot, maar hij knikte naar me en ik ben maar hard doorgefietst.

Hier in Soest op de Kolonieweg woonde een kunstschilder met een heel stel dochters. Er zaten Duitsers ingekwartierd, maar ze hadden ook een Joods jongetje verstopt. Die Duitsers zeiden later: ‘Dachten jullie nou echt dat we niet gezien hadden dat jullie een Joods jongetje in huis hadden? We hebben er gewoon nooit wat van gezegd.’ Zulke dingen gebeurden ook. Ook mijn tantes hadden onderduikers in huis. Mijn vader zei altijd: ‘Ik weet het niet, altijd als ik daar kom, vliegen er mensen naar boven.’ Hij besefte totaal niet dat het Joden waren. Iedereen hield zijn mond dicht.

Wij hebben het wel koud gehad in de Hongerwinter, want het huis had eensteensmuren, maar het was niet zo extreem, want we konden altijd wel weer een boom in het bos omzagen en dan kropen we samen om de kachel. Bij mijn broer in Friesland was het anders: hij ging altijd heel vroeg in bed liggen met zijn dochtertje, want het kindje had dikke, opgezette handjes van de kou, vol met kloofjes. Zij hadden eten genoeg, maar geen brandstof.

Op het eind van de oorlog zijn we eten gaan halen in Friesland. Mijn vader ging eerst, lopend met de handkar, samen met zijn broer. Ik ben er later met mijn tante op de fiets heen gegaan. Mijn vader was toen al 14 dagen weg. Onderweg werden we gewaarschuwd dat we niet verder zouden kunnen en daarom zijn we afgedwaald, naar Ommen. We hebben daar op een boerderij geslapen. Ik weet nog dat daar heel veel jonge jongens waren. Ze zaten allemaal naar me te kijken. Ik was toen 18 jaar. Of die nog nooit een jong meisje gezien hadden, leek het wel. Maar ik sliep bij mijn tante en voelde me veilig bij haar.

De volgende morgen zijn we weer op de fiets gestapt, richting Dedemsvaart, en daar kwamen we mijn vader tegen. Wat een ontmoeting! Mijn vader was helemaal van de kaart! Ondertussen vlogen de vliegtuigen over ons heen en maar schieten en tekeer gaan. Verschrikkelijk. Engelse vliegtuigen die op de Duitsers schoten en de Duitsers met hun luchtafweergeschut op de Engelsen. ’s Avonds kwamen we in Hoogeveen aan. Het werd al donker en ik was als de dood dat ik geen bed zou hebben om te slapen. Toen we Hoogeveen binnenreden, zag ik iemand staan die ik uit Soest kende. Ik riep zijn naam, blij dat ik een bekende zag. Hij kende heel Hoogeveen en heeft ons ondergebracht bij een bakker, waar we heerlijk hebben kunnen douchen en eten. De bakker zei de volgende dag: ‘Je kunt wel verder, maar dan moet je helemaal omrijden door de bossen van Oranjewoud.’ Dat hebben we gedaan en toen kwamen we in Heerenveen uit. Vandaar zijn we naar Leeuwarden gereden. We zijn wel een week onderweg geweest.

Mijn tante en ik hadden veel aardappels gehaald bij de boeren, want mijn broer kende ze allemaal. Een probleem was hoe we die zakken naar huis moesten krijgen. De schoonvader van mijn broer woonde in Dronrijp en kende heel veel mensen, waaronder ook een schipper, en hij zou hem vragen of we de zakken aardappels op de boot mee zouden kunnen geven. Dat was wel een gok natuurlijk, want we wisten niet of die dan wel goed zouden aankomen, maar ja, we moesten wat. We zijn van Leeuwarden naar Dronrijp gelopen met de handkar vol aardappels, maar die kar moest weer terug. We hebben het gered, maar ik had geen voeten meer over. Mijn tante ook niet en die was al niet zo jong meer. De schipper zou na een paar dagen naar IJsselstein varen en nam onze vracht mee. We zouden bericht krijgen, als hij aangekomen was. Wij weer terug met de handkar naar Leeuwarden. Onderweg kwam er een paard en wagen langs en ik heb de voerman gevraagd of we mee mochten. ’We kunnen niet meer lopen…’ Ik zou het nu niet meer durven om zoiets te vragen, maar toen deed ik dat. Hij heeft ons naar Leeuwarden gebracht en daarna moesten we nog een kwartier lopen naar het huis van mijn broer. Toen we met die handkar terugliepen naar zijn huis in Leeuwarden, hebben we ook alle takjes en twijgen die we onderweg vonden, verzameld en in de kar gegooid, omdat hij niet genoeg brandstof had en kou leed. Dat hielp maar even natuurlijk.

De terugreis Leeuwarden - Soest hebben we in één dag gedaan. We moesten ons vreselijk haasten, omdat de Duitsers op 1 maart de brug bij Zwolle af zouden sluiten. Mijn tante en ik zijn ’s morgens al om drie uur op de fiets gestapt, want we wilden die brug over vóór hij dicht was. Wat ze ermee gedaan hebben, weet ik niet, misschien hebben ze hem wel opgeblazen. Er is nu wel een nieuwe brug en iedere keer als ik er langs kom met de trein, denk ik: ja, daar heb ik ook gelopen. Er waren veel mensen lopend of op de fiets onderweg en we hadden veel gesprekken. Het was, vreemd genoeg, wel gezellig. Er werd zo nu en dan wel geschoten, want er reden Duitse auto’s tussen al die mensen. Een oud mannetje en zijn kleindochter zijn nog een eind met ons opgelopen, tot we plotseling bliksemsnel in een mangat naast de weg moesten springen, omdat er weer geschoten werd. Mijn tante en ik hebben dat gedaan, maar dat oude mannetje niet en hij is dan ook door een kogel getroffen. Toen wij uit het gat klommen, zagen we het kleine meisje huilend aan de kant van de straat staan. ‘Opa is doodgeschoten!’ Vreselijk, ja dat is allemaal gebeurd. Ik heb niet gezien dat die oude man geraakt werd, want toen zat ik in dat gat, maar dat meisje zie ik nog staan. Ze is door andere mensen opgevangen. Het gebeurde bij Meppel of Hoogeveen en wij konden niet blijven, want we moesten zien dat we over die brug kwamen. Het was daar erg druk, overal vandaan kwamen drommen mensen - het leek de Kalverstraat wel. We waren om half twee over de brug en wilden toen nog geen slaapplaats zoeken, want dat was te vroeg, dus zijn we doorgereden naar Soest. Toen we bij Birkhoven[1] aankwamen, was het al spertijd. We werden tegengehouden door een Duitser en gelukkig was het een goeie Duitser: we maakten hem met gebaren duidelijk dat we vlakbij woonden en hij liet ons door. Om 10 of 11 uur ’s avonds waren we thuis.

De aardappels zijn veilig aangekomen. We kregen via via bericht uit IJsselstein en zijn toen met z’n allen op de fiets de zakken gaan halen. Alles op de bagagedrager en weer terug naar huis. Je moest je maar overgeven en hopen dat alles goed kwam, maar de schipper was blijkbaar een fijne, betrouwbare man en alles kwam op z’n pootjes terecht en we hadden weer een tijd te eten.

Ik ben altijd erg bang geweest voor beschietingen. Ik ging vaak op de fiets naar Amsterdam om bij mijn zus te logeren, met wie ik erg goed op kon schieten en bleef ook bij mijn broer, maar ik was altijd blij als ik station Muiderpoort in zicht kreeg. Als ik die maar vast haal, dacht ik dan. Er werd wel niet de hele dag geschoten, maar toch in golven en vlagen, als ze weer iets op de weg zagen rijden of bewegen. Die auto’s met Duitse militairen vielen natuurlijk wel op. Het is gelukkig altijd goed gegaan, ook met dat fietsen, maar op een keer, het was al aan het eind van de oorlog, had ik geen banden om de wielen en toen ben ik aan het eind van Soest weer teruggegaan, want het was geen doen. Dat red ik niet tot Amsterdam, heb ik gedacht en ben omgedraaid.

Mijn zus werkte in Amsterdam bij mijn broer in de winkel. Ze had een vriend daar en was in Amsterdam gaan wonen om bij hem te zijn. Hij leerde voor makelaar en werkte op kantoor. De jongen moest onderduiken, anders zou hij tewerkgesteld worden in Duitsland. De man voor wie hij werkte, had een huis met een kamer en suite: voor het kantoor en achter een kamer voor ander gebruik. Daar hadden Joden gezeten, maar die waren verraden. ‘Jij gaat niet naar Duitsland, hoor, ga daar maar in, het staat leeg en het hele huis staat tot je beschikking’, zei zijn baas, en Cor trok erin. Ik had vakantie en besloot hem te helpen en voor hem schoon te maken, want ik mocht hem graag. Terwijl ik daar bezig was, deden de Duitsers een inval. Cor zat net aan de overkant, bij de kapper. Die Duitsers kwamen niet met een auto, maar met de tram, dus hij kon niet zien dat er een inval was. Ik heb nog wel wat mensen kunnen waarschuwen, maar Cor werd gepakt. Hij stapte de voordeur binnen en ik kon hem niet waarschuwen, want de Duitsers hielden me in de gaten. Ook ik moest mee, want ze dachten, omdat er Joden in dat huis gezeten hadden, dat ik een Jodin was. Ik mocht het beddengoed dat buiten lag te luchten, wel even binnenhalen en ondertussen doorzochten ze het hele huis op de aanwezigheid van Joden. Cor, ik en een jongen die daar op kantoor zat, moesten mee naar het politiebureau op de Manhuisstraat. Ik heb op de vrouwenafdeling boven geslapen en daar gingen ze mij meteen uithoren of ik een Jodenmeisje was. Wat dat voor vrouwen waren, weet ik niet. Ik heb daar één nacht geslapen. Cor is op de trein gezet naar Kamp Amersfoort. Mijn zus en ik zijn naar het station gegaan om hem nog even te zien en naar hem te zwaaien. We zijn ook vaak samen naar dat kamp gegaan om pakjes brood over het hek te gooien of te kijken of we Cor zagen, als die jongens in rijen uit het Kamp kwamen om aan het werk gezet te worden. De Duitsers begonnen op ons te schieten als ze ons zagen, maar gelukkig werden we nooit geraakt. Op Dolle Dinsdag is hij naar Duitsland getransporteerd, naar Neuengamme.[2] We hebben hem nooit meer teruggezien. Het Rode Kruis heeft bevestigd dat hij overleden was en in een massagraf lag. Hij ligt nu begraven in Loenen, want zijn moeder wilde dat hij in Nederlandse grond lag en niet in Duitse, en ieder jaar op 4 mei gaan we erheen. Na de oorlog kwam iedereen zo langzamerhand thuis, maar hij kwam maar niet. En wij maar wachten en maar wachten, ja dat was heel erg. Ik heb daar echt een klap van gekregen en mijn zus ook. Als de kinderen lang wegblijven, komt de angst weer naar boven dat er iets gebeurd is of gaat gebeuren.

Ik was 18 toen de oorlog voorbij was. Tijdens de mooiste jaren van mijn jeugd heb ik alleen oorlog gekend.

[1] Bij Amersfoort.

[2] Duits concentratiekamp ten zuidoosten van Hamburg.