Comité 4 en 5 mei
035-602 10 08

Van de GriftGrand Cafe De LindenhofSoester Courant

Toespraak mevrouw Vonck 2011

We zijn hier bij elkaar om te gedenken.

Toen we 65 jaar geleden in Nederland aankwamen, in een voor ons onbekend land, was er geen gelegenheid om onze verhalen te vertellen, niemand wilde het horen. Zo hebben we geleerd om te zwijgen, te zwijgen over alles wat ons in het verre Nederlands-Indië overkomen is. Nu, na al die jaren zijn er niet veel mensen meer over die het nog kunnen navertellen. Er zijn veel persoonlijke verhalen  over de oorlog in Indië verschenen, maar ik denk dat ze vooral gelezen worden door hen die het zelf meegemaakt hebben.

Ik denk aan al die vaders die in 1942 weggehaald zijn uit hun gezinnen, geïnterneerd werden en al in dat zelfde jaar verscheept werden naar Japan, om daar in de mijnen en havens onder erbarmelijke toestanden te moeten werken. Velen hebben het niet gered.

Mijn vader was één van hen. Hij overleed in 1944, ver weg van zijn vrouw en zeven kinderen. Wij hoorden het pas in oktober 1945.

Ik denk aan al die vaders die aan de Birma-spoorweg in Thailand en de Pekanbaru-spoorweg op Sumatra moesten werken, samen met de Indonesische mannen (Romusha’s). Duizenden hebben de onmenselijke omstandigheden niet overleefd.

Ik denk aan al die moeders die alleen met hun kinderen achterbleven, overgeleverd aan de willekeur en macht van de Japanse soldaten. Zij werden uit hun huizen gehaald en mochten vrijwel niets meenemen. Zij werden, soms in geblindeerde treinen, vervoerd naar een onbekende bestemming. In de Indische Archipel waren meer dan honderd vrouwenkampen.

Mijn moeder schreef op 24 september 1945 in een brief naar haar familie: ‘Jullie zullen wel veel gruwelverhalen over ons lezen, hè? Nou, geloof ze maar allemaal. ’t Was beestachtig. We kunnen de jappen nooit genoeg straffen voor alles. We kunnen ons haast niet voorstellen, dat we er nog zo goed doorkwamen.

Ik denk aan al die jonge jongens, al vanaf 12 jaar, die weggehaald werden bij hun moeders. Waar ze naar toe gingen, wisten we niet. Wat een zorg en angst voor al die moeders! Deze jongens hebben het zwaar gehad, het waren nog kinderen, ze moesten had werken, van ’s morgens tot ’s avonds hout zagen, ze werden geslagen, hadden honger. We kunnen ons nu niet meer voorstellen dat hen dat toen overkomen is!

Na jaren van honger, honger, honger en vernedering, ziektes, verveling, geen scholen, geen boeken, weer op transport naar een ander jappenkamp. Wij kwamen in kamp 10 in Banyubiru (Midden-Java) aan. In een grote loods moesten honderden vrouwen en kinderen worden ondergebracht. Ieder kreeg 45 centimeter toegemeten, meer ruimte was er niet. Het was begin augustus 1945. Contacten met de buitenwereld waren er nooit geweest. Niemand wist hoe de oorlog verliep. Toch merkten we wel dat er iets veranderde, de Indonesische bevolking uit de kampung durfde dichter bij het gedek te komen.

Op 24 augustus 1945 moesten we verzamelen op een binnenveld. De Japanse kampcommandant zei via de tolk dat Japan 15 augustus gecapituleerd had. Wij mochten het kamp niet uit, veel te gevaarlijk, de Jap zou ons nu moeten beschermen tegen de Pemuda’s, de jonge Indonesische vrijheidsstrijders. Ik herinner me nog de tranen van verdriet en het zachte neuriën van het Wilhelmus. Geen gejuich, geen dansende mensen, geen bevrijdingsfeest.

Mijn moeder schreef:De bevrijding is werkelijk gekomen op het ogenblik, dat we allen bezig waren de moed te laten zinken. ’t Laatste kamp waar we waren had 5 tot 7 doden per dag op 5000 mensen. Allemaal hongeroedeem. Heel erg opgezwollen ledematen. Vreselijk. Ook onze voeten begonnen al aardig en de meeste hadden beri beri en scheurbuik.

De moeder van Ted de Wit uit onze woongroep was één van de moeders die op de dag van de capitulatie in dit kamp is overleden!

En dat het gevaarlijk was, bleek al heel snel. In kamp 10 in Banyubiru konden we niet blijven, we werden in ‘gepantserde’ trucs naar kamp 8 in Ambarawa vervoerd. De bagage van het hele gezin kon precies in een teil! De pemuda’s liepen met scherpe bamboespiesen voor dit kamp langs, luid ‘merdeka’ schreeuwend. Wij werden bang, wisten nog niets van de nieuwe politieke situatie.

Mijn moeder schreef:In kamp 8, de dag na de overval, waarbij 13 vrouwen en kinderen vermoord werden, en waarbij wij genadig gespaard werden, de dag erna pakten de Jappen 4 Jav. bandieten met een machine geweer. Ze werden voor onze ogen gemarteld, wat gebeurde er? Boschma, een evangelist, wiens jongste kind ook vermoord was, ging naar hun toe, wees hun in het javaansch op hun kwaad en zei alles wat een geestelijke zegt tegen een ter dood veroordeelde. De moeders haalden hun kinderen weg, vonden het gemartel griezelig en zeiden tegen de commandant: ‘Schiet ze dood, maar hou op met dat getreiter!’ Ze werden doodgeschoten, 4 knallen, weg. Wij allen, christenen wachten ademloos of de kerk op Java zal ondergaan. Maar dat Java voor Nederland verloren is, dat lijkt me wel zeker.

In dat kamp werden op gezette tijden Rode Kruis-lijsten opgehangen aan de poort, met daarop de namen van de overleden krijgsgevangen, ook die van onze vader. Je zag dan iedere dag wel ergens in een zaal moeders met hun kinderen verdrietig bij elkaar zitten.

Mijn moeder schreef:Maar in Ambarawa was het geen leven meer. We lagen gewoon in de vuurlinie. Een paar keer per dag werden we gebombardeerd vanuit de omringende heuvels, en de hele dag donderden onze eigen kanonnen en ratelden onze eigen machinegeweren. Voor overvallen hoefden we niet bang meer te zijn, we waren omringd door een muur van Br. Indiers, maar granaten zijn ook niet prettig. Gisteren waren wij aan de beurt om naar Semarang gebracht te worden. We gingen in gepantserde legervrachtauto’s , met tanks en machine geweren als bescherming, en reden langs nog in lichterlaaie staande huizen, en rokende puinhopen en ruïnes, ’t was spookachtig en volkomen oorlog. Gelukkig geen incidenten.

Wij kinderen vroegen wanneer het weer oorlog werd: deze vrede wilden we niet.

Steeds meer militairen zagen we, Veel Br. Indiërs, Engelsen, Japanners en later ook Hollanders. Ze werden ingezet om de burgers te beschermen tegen de Indonesische vrijheidsstrijders. In de maanden na de capitulatie zijn nog veel mensen wreed vermoord door sluipschutters. Voor hen die hun man of vader verloren hadden was het lang wachten totdat er een boot of vliegtuig was die hen naar Holland kon brengen.

We denken aan al die slachtoffers uit de kampperiode en de Bersiap.

We denken aan al de Indonesische slachtoffers.

We denken aan onze Nederlandse jongens die onvoorbereid naar Indië gestuurd werden en daar, in een ver en onbekend land , orde in de chaos moesten brengen. Velen zijn daar gesneuveld.

Ik herinner me dat mijn moeder in die tijd zei: Dit was zó erg, zó gruwelijk, dit zal nooit meer gebeuren, daar heeft men van geleerd. Nu weten we wel beter, nog steeds zijn er oorlogen en hongersnoden, nog steeds lijden kinderen.

Wij leven hier in een welvarend land, geen oorlog, geen honger, goed onderwijs. Laten we daar dankbaar voor zijn!