Facebook
Comité 4 en 5 mei
035-602 10 08

Drukkerij ESEDEetcafé CentraalJan van Dijk Tours

Brief Abraham van Leer

De brief van Abraham van Leer is door zijn dochter mevrouw De Niet van Leer, wonende te Soest, ter beschikking gesteld van de Soester Courant. De redactie heeft de brief op 13 augustus 2008 in de krant opgenomen.

Japanse capitulatie is 63 jaar geleden.

Hollandse krijgsgevangenen hadden zware tijd in Nederlandsch Indië.

Deze week vindt ook in Soest de herdenking plaats van de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945, waarmee de Tweede Wereldoorlog ook in Oost-Azië werd beëindigd. De lotgevallen van de bevolking in Nederland - onder de Duitse bezetting - zijn vrij algemeen bekend; voor de ontberingen die ze de Hollanders in Indië ondergingen van de kant van de Japanners - veel minder.

Abraham van LeerHet is daarom dat mevrouw Henriëtte de Niet-van Leer uit Soest-Zuid de redactie van de Soester Courant benaderde met het aanbod om een (deel van de) brief te publiceren die haar vader, Abraham van Leer, enige tijd na de bevrijding vanuit Singapore - waar het gezin Van Leer in het Wilhelminakamp werd opgevangen - aan zijn beide zusters in Amerika schreef. Hij doet daarin o.a. verslag van zijn lotgevallen in het Jappenkamp en de gebeurtenissen rondom de bevrijding. Onndanks de 'telegramstijl', waarvan hij zich bedient, roept de brief een indringend beeld van de zware tijd die de Hollanders in Japanse krijgsgevangenschap doormaakten in Nederlandsch Indië.

Abraham van Leer was in de jaren dertig werkzaam bij een suikerproefstation op Oost Java; later werd hij journalist bij Surabaiasch Handelsblad. Henriëtte bracht de oorlogsjaren in het vrouwenkamp door, samen met haar moeder (Clara in de brief) en twee andere kinderen. Ze was 4 jaar toen ze het kamp inging en 7 toen ze eruitkwam. Ze is komende vrijdagmorgen zeker aanwezig bij de herdenking bij het monument aan de Ir. Menkolaan.

Abraham van Leer schrijft:

'Ik heb je nu de voornaamste dingen van het heden verteld en wil ter completeering nog iets over mijn ervaringen van de krijgsgevangenschap in telegramstijl mededeelen. Ik heb geen aantekening gehouden van den brief aan Riek en herinner mij niet wat ik verteld heb. Dat noemt men hier 'kamphersens'. Verval ik in herhalingen, dan weet je de oorzaak (.).

Op 9 Maart 1942 werd ik geinterneerd in een kamp te Soerabaia. Door de radio was omgeroepen, dat de Landstorm zich melden moest en wij deden dit met Hollandsche nauwgezetheid, die wij later zeer betreurd hebben. Ik zeide tegen Clara, die met het middageten bezig was: 'Ik laat mij even registreeren, dag, tot straks'. Dat straks is 8 December 1945 geworden. Zoo weinig hadden wij idee, wat ons te wachten stond. Van Maart 1942 tot medio April 1943 ben in het Soerabaiakamp gebleven, kreeg een baccilaire dysenterie, die niet door de doktoren werd herkend (later kregen zij meer ervaring) en werd tenslotte op Clara's verjaardag, 29 December 1942, als een geraamte het ziekenhuis binnengebracht. Mijn vrienden hadden mij al afgeschreven. Ik herstelde, dank zij het wondermiddel, darginan, en werd ontslagen einde Maart 1943. Medio April op transport gesteld naar Haroekoe, een eilandje naast Ambon,voor het aanleggen van een vliegveld. Zee-transport onder de Jap is het ergste wat een krijgsgevangene in den Oost kon overkomen. Wij kwamen met 150 dysenteriegevallen van de 1000 man aan, na 18 dagen op zee te hebben gezwalkt. Normaal duurt de reis 6 dagen. In Haroekoe lagen wij met 1700 Engelschen en 350 Hollanders. Na vier maanden waren reeds 300 Engelschen en 100 Hollanders overleden. Ontbering en dysenterie. In November 1943 werd een transport zieken samengesteld, dat naar Java terug zou gaan.Ik behoorde er ook bij en arriveerde einde December 1943 te Soerabaia, vermagerd, onder de schurft en de kleerenluis.

Een gedeelte van ons transport werd te Ambon op een andere boot overgebracht. Deze boot is getorpedeerd en met man en muis vergaan. Ik was al aan boord, toen het bevel kwam, dat allen met buikziekte er weer af moesten, dus ik ook. Dat is mijn behoud geweest.

In Java werden wij doorgezonden naar Batavia, waar wij uitstekend werden ontvangen. Ons transport was het eerste, dat de menschen in de Javakampen zagen en wekte een ontzaggelijk medelijden op. Wij keken naar deze goed gevoede menschen als naar een wonder. In Batavia verhuisden wij eenige malen en tenslotte kwam ik terecht in een landbouwwerkkamp 'kampong Makassar' op den weg naar Buitenzorg, waar ik een gezond leven heb geleid, vrij goede voeding, marschen in de buitenlucht en werken in de tuinen. Gaandeweg werd dit kamp minder goed, doch toen ik medio September 1944 op transport naar Sumatra werd gesteld,was ik lichamelijk in vrij goede conditie. Later werd 'Makassar' een vrouwenkamp met een bijzonder slechte naam; de Japs hebben de vrouwen daar als koelies laten werken en leven. Feitelijk had een koelie het stukken beter onder Hollandsch bewind.

Het transport naar Sumatra - ons werd verteld, dat wij naar een rustkamp zouden gaan - bestond voor het allergrootste deel uit menschen van mijn leeftijd, die nog nooit van Java waren weggeweest en geen begrip hadden van een Japs transport. Met 4000 koelies en 2100 krijgsgevangenen werden wij op een schip gezet, beter gezegd in een schip gestouwd. Ruimte om te liggen was er niet. De Jap dacht: 'Voor een reis van 5 dagen kan het best zoo.' Voor honderden is het een reis naar de eeuwigheid geworden. Op 18 September des middags 4 uur kreeg ons schip twee 'geallieerde' torpedo's en zonk binnen het half uur. 1500 krijgsgevangenen en 3500 koelies zijn hierbij verdronken. Dit is de ergste ramp, die de Indische krijgsgevangenen heeft getroffen. Ik was een der eersten, die in zee sprong en een der laatsten, die gered werd, namelijk Woensdag 20 September omstreeks 1 uur en had dus 45 uur in zee gelegen.Ik heb mijn redding te danken aan het feit, dat ik na eenige uren ronddrijven een reddingsvlot wist te bereiken en daaraan hangende of erop zittende, mij de volgende 42 uren boven water heb weten houden. Dinsdagochtend waren wij nog met 15 man, Woensdagmorgen met 2 man, een jong matroos en ik. De jonge man was ijlende toen ik uit een soort bewusteloosheid wakker werd. Krankzinnigheid is veel voorgekomen,ook ik zag 's morgens toen de zon reeds hoog aan den hemel stond nog een landweg op den Indischen oeeaan. De meesten kregen visioenen, volgden die en verdronken. De reddingscapaciteit van de Jap was erg klein, een corvetje, dat 150 man kon opnemen en die moesten eerst nog aan land worden gebracht, wat ook minstens 12 uur in beslag nam. Ik geloof, dat ik twee maal in mijn leven het toppunt van vreugde heb meegemaakt: het oogenblik, dat ik de redding zag aankomen en het weerzien van de famille.

De Jap heeft ons niet als drenkelingen behandeld. Te Padang werden wij in een gevangenis gebracht en hebben daar zonder eenig dek, alleen gekleed in een dun katoenen broekje twee dagen doorgebracht in een onbeschrijfelijk vervuilde omgeving. Daarna een nacht in den trein ontzaggelijk koude geleden en toen een dag op een transportauto blootgesteld aan een tropenzonnetje onder den evenaar. Tal van geredde passagiers zijn aan de 'nabehandeling' gestorven. Spiernaakt ben ik te Padang aan land gebracht en vervolgens drie weken geleefd met als eenig kleedingstuk een broekje en als dekking voor den nacht een Japansche deken. Onmiddellijk volgde malaria-infectie en dat is, naast buikloop, mijn lijfziekte in Sumatra gebleven. Wij werden gebracht naar Pakan Baroe,waar omheen verschillende kampen lagen voor krijgsgevangenen, die aan de spoorlijn moesten werken. Door zwakte ben ik practisch voor dit werk gespaard gebleven en heb in de groentetuinen gewerkt, voor zoover ik niet ziek was. De groote hinderpaal voor het bijkoopen van voedsel was het gebrek aan kleeren, die met de torpedeering verloren waren gegaan. Dit was het kapitaal van den krijgsgevangene. Verkoop binnen of buiten het kamp bracht vrij veel geld op en hiervoor kon men visch, boonen, trassi, vruchten, etc koopen. Alle handel was clandestien en leverde voor de bedrijvers risico op. Ik heb mij bijvoeding kunnen verschaffen door geld te leenen en heb hierin geluk gehad; meerderen hebben mij geholpen en zoo-ben ik den Pakan Baroetijd doorgekomen. Overigens ook een doodenkamp. In een half jaar 400 doden. Op 20 Augustus kregen wij bericht van de Japansche capitulatie en onmiddellijk werd alle werk gestaakt, het rijstrantsoen verhoogd, het voedsel verbeterd en groote kwantiteiten medicijnen en verbandstoffen binnengebracht. Malariapatienten hebben een tyd lang gemalen kinabast geslikt, hetgeen de zwakke ingewanden geen goed deed.

Nadien was het wachten op geallieerde vliegtuigen, die omstreeks 10 September kwamen opdagen. Zij brachten behalve voedsel ook Lady Mountbatten mee, die een toespraak tot de 'boys' hield en hen de heerlijkheden van de vrijheid in het vooruitzicht stelde. Later hebben wij pas begrepen, dat zij in dit kamp een paar duizend Nederlanders, voor de paar honderd Engelschen heeft gesproken. Toen de laatste Engelsman per vliegmachine was geevacueerd zijn er ook geen Nederlanders meer gehaald. Die zijn voor het allergrootste deel naar Medan en Palembang per boot vervoerd. Ik heb het geluk gehad tot de zieken te behooren, die wel zijn weggebracht en was passagier van het laatste vliegtuig, dat voor dit doel werd ingezet. 18 September 1945, precies een jaar na de torpedeering kwam ik te Singapore aan en kreeg voor het eerst wittebrood, koffie met suiker en melk. Mijn kleeding bestond uit een Japansch broekje en een jasje. Mijn schoeisel was een paar houten sloffen. (.)

Abraham van LeerIk bemerk, dat ik, wat de weergave van eigen lotgevallen aangaat, mij niet aan de telegramstijl heb gehouden. Ik ben echter niet van plan op dit alles nog uitvoeriger terug te komen en thans hebben jelui tenminste een overzicht van mijn lotgevallen. Clara zal de hare behandelen. Ik schrijf dit niet met zelfbeklag, want ik zie deze dingen als oorlogsverschijnsel, waarin het leven van het individu geen waarde meer heeft en bovendien ben ik mij te zeer bewust hoe nietig dit alles Is in vergelijking met het enorme leed, dat over Europa in het algemeen en over het Joodsche volk in het bijzonder is gekomen.'

Foto rechtsboven: Abraham van Leer - voorste rij derde van rechts - diende als vrijwilliger in het KNIL (Koninklijk Nederlands Indisch Leger) in september 1940.

Foto links: Abraham van Leer kort na de oorlog.